BEDRIJVENGIDS   |   BOLLYWOOD   |   DANCE   |   DATING   |   FORUM   |   HINDU   |   ISLAM   |   REALTONES   |   TV

De Surinaamse Startpagina

 
  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

White Beach Suriname, Paramaribo

Suriname Afdrukken E-mail
ImageSuriname, is het land van natuur en avontuur en ligt zo'n beetje noordelijk-centraal van Zuid Amerika wordt begrensd door Guyana en Brazilië. Het land is nog steeds erg groen, aangezien 90% uit bos bestaat. De mensen wonen zo ongeveer allemaal aan de kust, waarvan ruim 2/3 in en rondom Paramaribo. Lange tijd is het land een kolonie van Nederland geweest, een invloed die terug te vinden is in de taal, de architectuur en de namen die je tegenkomt. Naast Nederlanders hebben bijvoorbeeld hier ook Britten, Indonesiërs, Chinezen naartoe gebracht. Dit heeft gezorgd voor een smeltkroes van culturen, die stuk voor stuk hun gebruiken in ere houden. In 1975 kreeg het land zijn onafhankelijkheidsstatus, maar ondanks dit heeft Suriname nog nauwe banden met Nederland. De voornaamste reden is dat veel Nederlanders van Surinaamse origine in Nederland wonen, een groep die ongeveer net zo groot is als het aantal inwoners van Suriname zelf.
Suriname is een soort eiland (figuurlijk) binnen Zuid-Amerika. De culturele samenstelling van de bevolking vertoont het land meer overeenkomsten met het Caraïbisch gebied, dan met Latijns Amerika. Er wonen ongeveer evenveel mensen van Afrikaanse afkomst (Creolen) als mensen van wie de overgrootouders uit India kwamen (Hindoestanen). Hierdoor telt Suriname meerdere bevolingsgroepen, zoals Indianen, Bosnegers, Chinezen, Creolen, Europeanen, Indiërs en Javanen. Verder zijn er nog belangrijke minderheden van Javanen, Chinezen, Indianen en Bosnegers. De talen, die in Suriname worden gesproken zijn: Nederlands, Sarnami en Javaans. De meeste inwoners spreken ook Sranan Tongo. Chinees, Engels, Frans en Spaans worden ook gesproken.

ImageDe Creolen zijn overwegend stadsbewoners, en de Hindoes voor het merendeel kleine boeren. Het overgrote deel van de bevolking woont in de kuststrook. De oorspronklijke bewoners van deze kustgebieden zijn de Indianen. Er wonen twee indianenstammen: de Arowakken en de Caraïben. De eerstgenoemden zijn de oudste bewoners van Suriname. De Bosnegers, of Marrons, zijn de afstammelingen van zwarte slaven, die meer dan twee eeuwen geleden ontsnapten van de plantages.

De verschillende groepen ontsnapte slaven behielden hun Afrikaanse cultuur, en vormden weer stammengemeenschappen. Elk dorp heeft zijn eigen mondelinge geschiedenis, en men kan precies navertellen van welke plantage de voorouders van dat dorp ontsnapten, met veel details en namen en avonturen van hun helden. Ook de blanke bazen zijn nog bij naam bekend. In 1760 werd een vredesverdrag gesloten tussen de Bosnegers en de Hollanders, waarbij de stammen der Marrons autonomie verleend werd binnen Suriname. Die gebeurtenis wordt nog steeds in ere gehouden. De 'Lingua Franca', de taal die in het openbaar voor communicatie tussen deze culturen gebruikt wordt, is het Sranantongo. Het is ontstaan uit een mengeling van voornamelijk (17e eeuws) Engels en Nederlands, plus elementen uit alle andere genoemde culturele groepen.

Verschillende gedragsregels
In Suriname wonen naar schatting 450.000 mensen, verdeeld over een aantal bevolkingsgroepen afkomstig uit verschillende werelddelen. De indianen zijn de enige oorspronkelijke bewoners. Daarnaast zijn Creolen, bosnegers, Chinezen, Europeanen, Hindoestanen, Javanen, joden en Libanezen vrijwillig of onder dwang naar Suriname geëmigreerd. De etnische groepen onderscheiden zich van elkaar door hun waarden, normen en geestelijke belevingswereld. De mate waarin bezoekers deze gedragsregeltjes hanteren, bepaalt in hoeverre zij sociaal geaccepteerd worden. Je scoort bijvoorbeeld hoog als je voor het betreden van een woning je schoenen uitdoet.

Inheemse stammen
De meeste mensen wonen in en rond Paramaribo en in de districten van de kustvlakte. In het dichtbegroeide binnenland wonen indianen en bosnegers (afstammelingen van gevluchte negerslaven) in kleine nederzettingen naar stamverband bij elkaar.

Kunst
De meeste bezoekers zijn verbaasd over de westerse invloed in de kunst, die zijn oorsprong vindt in de Europese opleidingen van de oudere generatie. De jonge generatie met haar fleurige Surinaamse taferelen heeft een goede afzetmarkt aan de toeristen. Interessant is de vrouwengalerie Steinhoff in het hartje van Paramaribo. Van de traditionele kunstvormen springen het bosnegerhoutsnijwerk en de indiaanse keramiek het meest in het oog.

Architectuur
De architectuur in het centrum van Paramaribo wordt bepaald door de koloniale bouwstijl, terwijl buiten de stad tempels en moskeeën het landschap opluisteren. Het meest kenmerkend echter zijn de joodse synagoge en de grote islamitische moskee die als vreedzame buren de etnische tolerantie van Suriname onderstrepen. Ondanks dat er in heel Suriname een tropisch regenwoud-klimaat heerst, komen er verschillende vegetatie-typen voor. Vanaf de kust naar het binnenland kunnen we globaal 4 zones onderscheiden. 

ImageHet Tropisch Regenwoud in Suriname

Mangrove
Direct langs de kust staat mangrove. Dit brakwater-moerasbos kan zich langs de grote rivieren nog wel tot 50 km landinwaards uitstrekken. Langs de kust kan je hier de Slijkspringer* tegenkomen. Hij heeft dubbel-focus lenzen in zijn ogen, voor gebruik boven en onder water. Meer landinwaards groeien Orchideeën* tussen de stengels van hoge Tajer-achtige Araceae, zoals bij ons een Gele Lis tussen het Riet groeit. Hier en daar, vooral in het oostelijk deel van het land, zijn er stranden tussen de mangrove en de oceaan. Helaas meestal niet zo geschikt voor badgasten omdat er hier naast de gebruikelijke muggen ook nog zandvlooien zijn, waardoor het niet is aan te raden om op blote voeten lopen. Deze stranden zijn vooral bekend vanwege de zeeschildpadden die er hun eieren komen leggen (april - juli), en om de vogelrijkdom.

De kustvlakte
De kuststrook is verder van oorsprong een gebied van moerassen, waar oude duinen doorheen lopen. In Surinaams-Nederlands spreekt men van "zwampen en ritsen" (denk aan Engels "swamps and ridges"). De stadjes liggen op deze schelpenritsen, en de zwampen zijn gedeeltelijk in cultuur gebracht (rijst, suikerriet, palmolie). Waar nog geen landbouw is, vormen de zwampen een echt "wetland": geen wonder dat de Nederlanders zich er thuis voelden! Heliconia psittacorum* (sr: Popokaytongo, of Papegaaie-tong) is hier een heel gewoon onkruid. In de verte zijn ze verwant aan de banaan. Grotere Heliconia's worden (sr:) Palulu genoemd en zijn vaak rood-en-geel van kleur, zoals deze Heliconia densiflorum* die langs kreken in het regenwoud voorkomt. Laten we er eens een muziekje bij op zetten, krekels en cicaden* lijken me wel toepasselijk. Goed, terug nog even naar de kuststrook. De ritsen zijn bebost, en in dit bos komt een voor Suriname endemische soort voor: Bromelia alta*. Het is een manshoge terrestrische Bromelia. De bloeiwijze heeft ongeveer de vorm en grootte van een Ananas (waaraan hij ook verwant is), en die trekt zowel kleine vliegen aan, als ook Kolibries ("Kolibri" is een woord van de Arowak-indianen). Als een onderdeel van een plant een rode kleur heeft, dan mag je vermoeden dat er vogels worden aangetrokken: dat weten we hier in Nederland van vruchten, zoals kersen. In Zuid-Amerika moet je echter ook bedacht zijn op bestuiving door Kolibries. de savannegordel Ten zuiden van de kustvlakte bevinden zich savannes, op een meer zanderige bodem (denk aan het plaatsje Zanderij, waar het vliegveld is). Er komen verschillende vegetatie-typen voor op de savanne: bos (vaak met "Cola-kreken": kleine riviertjes met doorzichtig bruin water), struiksavanne* en open savanne met dwergstruiken en gras. Net als overal in de tropen, moet je ook hier steeds opletten waar je je voeten neer zet: kijk maar eens wie d'r hier geloof ik een beetje boos was geworden... Dit is de Kippenslang* (sr: Sapakara sneki). De manier waarop hij zich opblaast, doet denken aan een heel giftig neefje van hem!

ImageHet Tropisch Regenwoud
Naast het stuwmeer ligt Brownsberg, een klein bergje in het regenwoud, van 500 m hoog. Dit gebied is nu een natuurpark, met bovenop de berg een kampement voor beheerders en bezoekers. Hier heb ik het grootste deel van mijn onderzoek gedaan. Eerlijk gezegd was mijn eerste bezoek aan het regenwoud een beetje een teleurstelling. Het is gewoon een bos. Als je er in rond loopt zie je gewoon boomstammen, en dode bladeren op de grond, net als een bos in Nederland. Over het algemeen is een tropisch regenwoud helemaal niet de "jungle" of de "groene hel", zoals je die vaak in films ziet. In werkelijkheid ziet het er erg opgeruimd uit, kan je er gewoon doorheen wandelen. Slechts waar het zonlicht de bodem kan bereiken, een open plek, of langs een rivier: daar heb je wel je hakmes nodig, om je een weg te banen. Zoals overal in de natuur, moet je ook hier goed je ogen de kost geven, en geduld hebben, om te zien wat er te zien is. Een boom die wel een beetje heel erg groot is, en plankwortels* heeft, herinnert je eraan waar je bent. Aan de hand van de vruchten die er (soms) onder liggen, kan je dan achterhalen dat het een Ingipipa* ("Indianenpijp") is, familie van de Paranoot. De smallere stam ernaast is denk ik geen boom, maar de onderkant van een gigantische liaan. En als je het dan nog niet weet, zal de nl: Groenhartvogel* (sr: Kwetkwetyaba) het je zeggen: de vogel hoor je haast elke dag, en zijn roep die over grote afstanden weerklinkt, vertelt je dat dit het Amazonewoud is. In een tropisch regenwoud zijn er vaak drie boomlagen, en in Suriname is het meestal de middelste boomlaag die een gesloten bladerdak vormt, op zo'n 35 meter boven de grond. Maar er zijn heel wat woudreuzen die daar bovenuit steken, en van onderaf gezien, zie je dus eigenlijk niks, alleen een stam die in het bladerdak verdwijnt. Dat geldt ook voor veel lianen, zoals deze, waarvan ik nooit de bloemen heb gezien: Bauhinia guianensis* (Caesalpinioideae). De Bosnegers noemen hem Sekrepatu-trapu, oftewel de Schildpaddenladder. Als je in het bos loopt, hoor je af en toe een zware plof: dan valt er een schildpad uit de boom (sommige toeristen geloven dat . Zonder bloemen of vruchten, alleen de boomstammen, is een westers botanicus eigenlijk nergens, en vertrouwt hij op bosneger-specialisten om de bomen te determineren. Landsbosbeheer van Suriname heeft ook mensen opgeleid tot "boomkenners": ze kunnen bomen herkennen aan de bast, en hebben de wetenschappelijke naam er bij geleerd.

Het komt niet vaak voor dat je een uitzicht hebt in het regenwoud, maar hier zit er dan een gat in het bladerdak*. Er klimt een Philodendron tegen de stam op. De grote bladrozet is van Philodendron linnaei*, nu eens geen klimmer, maar een epifyt. Duidelijk te zien welke familie het is: Araceae natuurlijk. En hier heb je nog een uitzicht, deze keer op een (sr:) Walaba*. Deze boom hoort (net als de liaan hierboven) tot de Caesalpinioideae. Er zijn veel peulvruchten-dragende bomen in de tropen, en hier zie je dat de grote peulen (30 - 40 cm) aan draadvormige takken uit de kroon hangen. Misschien is dat een verweer tegen apen, dat die ze niet zo makkelijk kunnen pakken, maar bedenk ook dat de bloemen net zo uit de kroon gehangen hebben, en dat wijst in de richting van een vleermuis als bestuiver. Nu we het over apen en woudreuzen hebben: dan komen allereerst de Brulapen* in gedachten. Groepen communiceren over grote afstanden met elkaar, en net als dat van de Piha, past dit geluid dan ook prima bij een uitzicht over het regenwoud van bovenaf*. Dat is tevens de beste manier om een indruk te krijgen van de enorme diversiteit aan (boom)soorten. Rechts beneden op dit plaatje zie je een groep bomen die een gele bloesem hebben, en daar omheen allerlei andere soorten. In de omgeving van Brownsberg waren 250 verschillende soorten bomen geteld.

ImageOpen plekken
In Nederland worden bomen vaak gekapt voordat ze echt oud worden, maar in een wild oerwoud kan je beter dekking zoeken als het stormt. Dan vallen zware vruchten en dikke takken naar beneden, en regelmatig valt er een hele boom om, die van ouderdom is gestorven. Via een domino-effect, en omdat bomen verbonden zijn met lianen, ontstaat er dan een vrij grote open plek. Er zijn echter talloze planten wiens zaden al lagen te wachten op zo'n gebeurtenis, en onmiddellijk groeit zo'n open plek weer dicht met vaak stekelige struiken (zoals in Nederland de Braam), die dan weer kleine snelgroeiende bomen een kans geven. Een voorbeeld van die laatste is de Bos-Papaja* (Cecropia). Dit is een ver familielid van de Brandnetel. Cecropia steekt echter niet zelf, maar heeft hiervoor mieren ingehuurd. Die mieren beschermen de boom dus tegen planteneters, en in ruil mogen ze niet alleen in de holle stam wonen, maar krijgen ze zelfs voedsel uit de bruine klieren die je hier op de foto ziet, onderaan de basis van de bladsteel. Een andere plant van zonnige plekken (secundair bos) is Costus scaber* (sr: Sangrafu, nl: Wenteltrap). De Nederlandse naam slaat op de plaatsing van de bladen. Hij is verwant aan de Gember-familie (maar die hebben 2 rijen bladen). Een schoonheid die je hier ook kunt vinden is de Passiebloem*. Wij kennen de kamerplant met blauwe bloemen, maar rood is een meer gangbare kleur voor de vele Passiflora soorten. En inderdaad: druk bezocht door Kolibries. Wanneer zij voor de bloem zweven om nectar te zuigen, zorgen de hoog-geplaatste meeldraden ervoor dat er wat stuifmeel op het voorhoofd van het vogeltje komt. En de stempels zitten op dezelfde strategische plek. Als je goed naar Centropogon* kijkt, (familie v.h. Grasklokje), zal het je opvallen dat die ongeveer dezelfde strategie volgt - maar dan voor een vogel met een langere snavel. Ik heb geen geluid van Kolibries voor je, maar de sr: Gonge* (nl: Witte Klokluider) is ook erg kenmerkend voor dit stukje regenwoud. Een eigenaardigheid van deze open plekken is, dat ze niet te groot mogen worden. Wanneer ze groter zijn dan een bepaalde kritische afmeting, dan komt het regenwoud niet meer terug. De open plek krijgt een savanne-vegetatie, en aan de rand ervan rijst het regenwoud dan op als een muur, maar breidt zich niet uit. Misschien is dit een gevolg van een klimaatsverandering van lang geleden, en is het regenwoud nu geheel afhankelijk geworden van het microklimaat dat het voor zichzelf creëert?

De bosbodem
De bosbodem die er zo "opgeruimd" uit ziet, heeft deze aanblik deels te danken aan planten zoals deze Astrocaryum* (sr: Bugrumaka), een stamloze minipalm. Hij heeft de vorm van een prullenbak aangenomen, en verzamelt zo dode bladen, die keurig als een klein composthoopje rond de voet van de plant komen te liggen. Deze groeivorm is vooral bekend van epifyten (planten die in bomen groeien), maar je ziet dat er zelfs op de bosbodem nog een concurentie-strijd om humus plaatsvindt, met als gevolg een zeer efficiente recyclering van voedingsstoffen. In feite is de bodem van het regenwoud vrij arm: de meeste voedingsstoffen zitten in de levende biomassa. Maar wat vooral een schaars artikel is op de bosbodem, is licht. Het is er donker. De meeste planten hebben dit probleem opgelost door het hogerop te zoeken: groter groeien, klimmen, of op boomtakken gaan groeien. Maar er zijn er ook enkelen (niet veel) die achter bleven, en zich aan de slechte lichtomstandigheden aanpasten. Jazeker, ik heb het over varens, zoals deze Adiantum*, familie van het Venushaar. Hij lijkt vind ik op bepaalde fossiele varens uit het steenkool-tijdperk. Deze Vriesea splendens* (de bekende kamerplant) groeit ook vaak op, of in dit geval nabij, de bosbodem. Je ziet weer het prullenmand-effect. En dan is er nog de voor de hand liggende oplossing: helemaal geen licht meer nodig! Paddestoelen bv., zoals deze mooie oranje bekerzwammen*. En dit kleine bloeiende plantje heeft (denk ik) voor dezelfde saprofytische* levenswijze gekozen. 's Avonds, wanneer het donker wordt, beginnen de Kikkerconcerten*, waaronder deze bijna menselijk klinkende zangers, die "hoi" lijken te roepen. Er moeten erg veel kikkers* zijn, maar je ziet ze haast nooit, want als je op het geluid af gaat, dan zijn ze plotseling stil. Deze kleine groene kikker hoeft zich echter niet te verbergen, want iedereen weet dat hij erg giftig is. Epipedobates trivittatus* (sr: Tidetide) is een lid van de Dendrobatus familie, en wordt door de Indianen gebruikt om pijlgif mee te maken. Dezelfde regel gaat op voor slangen: opvallende, felle kleur is gevaarlijk, maar dan is dit kleine bruine slangetje* (sr: Busiswipi, nl: Spitsneusslang) de uitzondering op de regel: het eet hagedissen en heeft een zwak giftige beet. De meeste dieren hebben een schutkleur, zo ook deze Anolis chrysolepis*. Zijn grotere neefje Plica plica*, wordt (sr:) Agama genoemd, en leeft meer op vertikale boomstammen. Als je te dichtbij komt vlucht hij naar de achterkant, maar hij is erg nieuwsgierig en komt na een tijdje weer 'om de hoek' gluren. Een mooie en kenmerkende vlinder van het regenwoud is Heliconius*, de Passiebloemvlinder. Niet te verwarren met Heliconia, want dat is een plant. Er zijn vele soorten en ondersoorten van dit geslacht, die kleine verschillen in de vlek-tekening op de achtervleugel hebben. Ze vliegen in groepen, en als het gaat regenen (dat gebeurt nog al eens in een regenwoud) schuilen ze allemaal samen in dezelfde struik*. De Nederlandse naam (Passiebloemvlinder) verwijst naar de waardplant van de rupsen. Passiebloemen zijn giftig voor insecten, maar deze rupsen kunnen er tegen en maken er juist gebruik van: ze worden hierdoor zelf giftig voor insecten-eters. Op de volgende foto zie je een bewoner van het regenwoud die gelukkig niet zo vaak je pad zal kruisen, maar die wel een enorme reputatie in Suriname heeft: Tarantula*, de grote broer van Ba-Anansi (Het is de grootste Vogelspin ter wereld). Het regenwoud is niet één gelijkvormige vegetatie. Afdalend van Brownsberg kom je verschillende bostypes tegen, en in de vallei van een kreek bv. ook dit vloedbos*. Het is geen moerasbos zoals in de kustvlakte, want dat is modderig en wordt gekenmerkt door grote Palmbomen. In het regenwoud zijn er eigenlijk haast geen grote Palmen. Er is wel een zeer klein Palmpje, eigenlijk meer een kruid. Ongeveer 30 - 40 cm hoog, met slechts twee bladen die aan de top diep ingesneden zijn. Staat hier in dat vloedbos, en ook veel nabij stromend water. Wie het weet mag het zeggen. Als je een vallei van een kreek in kijkt, heb je grote kans dat je een soort metallic blauw ziet schitteren. Dat is Morpho menaelaus*, ongeveer zo groot als je hand. Dit is de vlinder die 'Papillon' moest vangen, toen hij in Frans Guyana gevangen zat (bekend van boek en film). De vlinders hadden waarde omdat er een blauwe verf van gemaakt werd, die (toendertijd) weer nodig was bij de productie van dollar-biljetten.