Hoe kwam het zover?
Suriname is altijd een land in beweging geweest. De oorspronkelijke bevolking
bestaat uit Indianen, maar rond 1650 kwamen de Engelsen met hun eerste plantages.
Twee decénia later, via één van de merkwaardigste handelsovereenkomsten
in de geschiedenis, namen de Nederlanders Suriname over door Nieuw
Amsterdam (nu New York) in te ruilen voor het Engelse grondgebied in Suriname.
De Nederlanders haalden slaven uit Afrika om het werk te doen.
Door latere afschaffing van de slavernij in de 1é eeuw werden contractarbeiders
gebracht van Nederlands Oost- en Indië (nu Indonesië), India, China, Portugal
en Libanon. Ondanks beperkte autonomie, bleef Suriname een kolonie tot 1954,
toen het een zelfbesturende staat werd. Pas 21 jaar later zou het onafhankelijkheid
verkrijgen. Kort daarvóór ontstond echter een ongekende
migratiegolf naar Nederland. Achter het optimisme schuilde namelijk
ook angst en onzekerheid. Men was bang voor een militaire staatsgreep en economische
wantoestanden zoals die in andere gedekoloniseerde Zuid