Onder de bewoners van Kroonenburg is onenigheid ontstaan nadat er van overheidszijde aanplantingen zijn vernietigd, die op de berm langs de kanalen en de wegen stonden. Bij navraag bij een bewoner, die anoniem wenst te blijven , blijkt dat de bermen vruchtbaarder zijn, omdat deze schelpen bevatten. Hij pleit ervoor dat de overheid de bewoners van schelpen voorziet ten behoeve van hun gronden, zodat ze deze voor landbouwdoeleinden kunnen gebruiken. "Er is veel jaloezie hier..." en "...dit ding brengt veel vijandschap", zijn enkele reacties van bewoners die ook niet bij name genoemd willen worden. Districtssecretaris Harold Sheombarsingh van Commewijne zegt dat vanaf vorig jaar klachten het commissariaat bereiken over de afkalving als gevolg van bermaanplantingen.
De vraag rijst of de bevolking van kroonenburg zich terecht ageert tegen de vernietiging van de aanplant c.q. vegetatie. In het algemeen gelden de volgende natuurwetten: Als alle vegetatie van de grond is verwijderd, is de grond blootgesteld aan de elementen (zon, water, wind enz) en verliest het deeltjes grond. De grond wordt dan gemakkelijk weggeblazen, zodat de laag grond daaronder, die van mindere kwaliteit is, overblijft. Watererosie verschilt niet van winderosie, behalve dat de deeltjes verplaatst worden door krachtig stromend water en hevige regenval in plaats van door de wind. Het water en de kostbare bovenlaag van de grond snellen naar beneden en nemen alles mee in hun weg. Bomen worden ontworteld, grote stenen verplaatst en bruggen en gebouwen omvergeworpen. Deze overstromingen zijn heel gevaarlijk. Als al de natuurlijke vegetatie van het land is weggenomen, kan het grondwater langzaamaan opstijgen tot het grondoppervlak omdat de bomen die regenwater opnemen en het waterpeil laag houden verdwenen zijn. Het grondwater is erg zout en slechts bepaalde bomen kunnen het zoutgehalte weerstaan. Als het waterpeil stijgt doodt het zout de bomen en gewassen die niet tegen de hoge zoutconcentratie in het water kunnen. Als het water verdampt is, is zout het enige wat overblijft, zodat de grond onbruikbaar wordt.